Oh Benicio!
Laatst ging ik naar de film. Traffic. In het plaatselijke filmhuis, waar cultureel correcte films altijd wat later draaien dan in de hoofdstad. Maar goed, in die zwarte, naar padvinderij ruikende filmschuur, zag ik de man die sindsdien niet meer uit mijn fantasieën weg te slaan is. Benicio del Toro. Zijn naam alleen al, een naam die je uitsluitend hitsig kunt fluisteren, een naam als mantra van geiligheid. Benicio del Toro. De naam van een minnaar. Benicio del Toro. Dat is nog eens wat anders dan Kees Jansen. Ik prevelde het een paar keer zacht voor me uit. Sliste wat bij de ‘c’. Benízio. Mijn bloed ging ervan bruisen als champagne.
En nu kan ik niet meer ophouden. Met het fluisteren van die naam. Benízio. Op vakantie, liggend aan het strand, met de warme zon op mijn huid, het geruis van golven op de achtergrond, mompel ik Benízio totdat zijn schaduw over me heen glijdt. Ik zie de druppels zeewater op zijn donkerbruine huid. Voel hoe zijn glanzend zwarte haar drupt op mijn lichaam. Hij lacht. Een schorre lach die klinkt naar Gauloises en Soberano, El Sabor del Hombre. Hij gooit zijn glanzende, dikke haardos nonchalant achterover, knijpt zijn ogen tot spleetjes, trekt gulzig aan zijn sigaret, die hij tussen duim en wijsvinger vasthoudt, gooit de peuk weg en vlijt zijn natte, warme lijf over het mijne. Benízio. Kijkt broeierig serieus. Strenge wenkbrauwen, volle lippen. Mijn weerstand, mijn verstand, ik verlies alles en geef me over. Benízio. Leef maar één keer. Ik heb mijn best gedaan tot nu toe. Dertien jaar trouw geweest aan die ene. Zijn kinderen gebaard, aan zijn zijde gestaan op feesten en partijen, hem aangemoedigd en afgeremd en opgebeurd, zijn haren uit het doucheputje gevist en elke dag van hem gehouden, hetgeen ik vermoedelijk zal blijven doen tot en met de dag dat we beiden oud en versleten zijn, maar tjeetje, mag ik even dromen over een ander leven? Van Benízio?
Met zijn wilde haren, alsof hij net uit bed komt, na een heftige nacht, Benízio, die mijn hand pakt en me meesleurt, God weet waar naartoe, om het daar nog een keer te doen, waarna hij me meeneemt naar een duister feest, volgiet met rum en hitsig tegen me aan danst. Benízio in een wit overhemd, open tot aan zijn navel, kleine zwarte haartjes die rusten op zijn gespierde borstkas. Ruikend naar vieux en sigaretten en zweet en testosteron. Del Toro. Van hem kan ik het hebben. Benicio del Toro, als ik ooit een minnaar neem, dan toch minstens eentje met zo’n naam, als een gedicht, die doet denken aan bloedrode rozen en serenades, driftig gitaarspel en huilende accordeons, galopperende zwarte hengsten en dampende stieren. Voor hem wil ik wel het slachtoffer zijn van een bende bandieten, vastgebonden aan een paal, mijn rode jurk boven mijn borsten gescheurd, huilend en smekend, totdat hij komt. Totdat hij met zijn sabel in één slag de touwen doorklieft en mij optilt, terwijl ik hijg en snik. Totdat hij mij over dat paard zwiept en vlucht, tot aan de rivier, waar hij me neerlegt op zijn leren jas, en mijn wonden dept met repen stof van zijn overhemd, die hij natmaakt in de rivier, mijn tranen wegkust en…
mijn kinderen hun natte badgoed op mijn buik gooien en mij eraan herinneren dat ik een moeder ben, gelukkig getrouwd nota bene en dat Benicio zich hoogstwaarschijnlijk in Hollywood laaft aan de aandacht van strak in het vel zittende actrices.
De kinderen en mijn lief hebben het wel gezien op het strand, verlangen naar ijs en bier, dus lopen we rood verbrand, vermoeid sjokkend door het zand, richting het terras met uitzicht op voetballende, half ontblote hombres. De camarero staat onmiddellijk bij ons tafeltje om te vragen wat onze wensen zijn. Helados, zeggen de kinderen. Cerveza, zegt mijn lief.
Benízio, zucht ik.