Zomervakantie
Het ligt op de bank en het hangt. Rara wat is dat? Mijn zoon in zijn favoriete zomervakantiepositie. Vriendjes zijn op vakantie, buiten kletteren de verfrissende zomerbuitjes al dagenlang tegen de ruiten, alle computerspelletjes zijn gespeeld, alle dvd’s bekeken, alle scheten uitgewisseld per MSN,alle ijsjes opgegeten, alle ballen lek. Tennissen? Bleh. Een boswandeling? Gadver. Naar de storm kijken aan het strand? Dûh. Museumpje pakken in Amsterdam? Kots-kots.
Het hangt ondersteboven,voeten over de rugleuning, chips malend onderuit en die enkele vriend die hij op heeft weten te snorren, hangt ernaast. Giebelend. Ruftend. Boerend. Neuspeuterend. Alles omvermaaiend met hun onhandige knokige ledematen. Overal commentaar op leverend met hun verveelde, overslaande stemmen. Ja hoor, mam, wat zie je eruit. Jezus, pap, doe even normaal. En naar bed gaan ze ook al helemaal nooit meer. Met hun alles horende oren hangen ze om je heen, met hun allesziende ogen registreren ze ieder non-verbaal bericht, Big Kid Is Watching You, en een beetje ruziemaken, laat staan seksen is er niet meer bij. Jullie gaan toch niet scheiden, hè? Jullie gaan toch niet vrijen, hè?
Nee hoor, maak je geen zorgen. Tegen de tijd dat jullie eindelijk een keer van die bank af komen, hebben we daar de puf echt niet meer voor. Dûh. Gadver. Bejaardenseks. En daar gaat die vinger weer in het neusgat.
Ooit kon ik ze wel groot kijken. Verlangde ik naar de dag dat ik ze met een gerust hart alleen kon laten fietsen en zwemmen. Nu die tijd is aangebroken,hebben ze in geen van beide zin.Ga maar op de fiets. Ja dûh,het waait! Waarom gaan jullie niet lekker naar het zwembad? Pfff, alsof daar wat aan is.
Nu droom ik ze weer klein. Een middagdutje. Om zeven uur naar bed. Zachte mollige armpjes om je heen. Met wie ga je later trouwen? Met jou, mam, jij bent de liefste. Zullen we naar de hertjes wandelen? Jaa! Joepie!
Het ligt op de bank en hoewel het nauwelijks beweegt, vult het de hele kamer met slungelige ledematen,met verveling en lethargie. Ik bedenk tandenknarsend dat kinderarbeid zo slecht nog niet was, en opper allerlei klusjes met geld in het vooruitschiet. Deze jongens moeten het land op, aspergesteken of bollen rapen, maar laten we beginnen bij de tuin, bij het verwijderen van gras tussen de tegels. Zuchtend komen ze in beweging en slepen zichzelf naar buiten, alwaar ze ineenzijgen op het terras en tergend langzaam twee grassprieten tussen de stenen vandaan trekken.
Stiekem pak ik mijn boek. Drie regels kan ik toch zeker lezen voordat de wandelende takken weer binnenkomen en hun beloning zullen opeisen. Maar ik hoor niks. Er is alleen maar stilte, en stilte betekent in negen van de tien gevallen dat er dingen gebeuren die het moederoog niet kan verdragen. Gealarmeerd leg ik mijn boek weg en besluip de magere melkmuilen die plat op hun buik met elkaar liggen te smoezen. Als ze mij ontwaren, gebaren ze dat ik stil moet zijn.
‘Mam,’fluistert mijn zoon,met rode konen van opwinding, ‘we bouwen met gras een huis voor de mieren! Breng even wat broodkruimels!’
En ik haast me de keuken in,op zoek naar brood. Hoe twaalf kun je zijn, denk ik en mijn hart klopt woest gelukkig.